|
Ecologisch Kennis Centrum B.V.
’t Achterom 9a
5491 XD Sint Oedenrode
|
Datum
|
: 25-10-04
|
|
Betreft
|
:
Nuon Power Buggenum / GGD onderzoek
|
|
Ons kenmerk
|
: Nu/GGD/041025/5
|
DE
“FLEXIBELE” SCHOORSTEEN VAN NUON POWER BUGGENUM.
Geachte heer van Rooij,
Wij refereren aan uw verweren tegen Gedeputeerde Staten van Limburg ten
aanzien van de milieuvergunningverlening aan Nuon Power voor haar
Willem Alexander Centrale te
Buggenum. De stichting zou u willen wijzen op de “flexibele”
schoorsteen van deze centrale.
Het betreft de schoorsteen van de afgassenketel (AGK) welke de dikste
pijp is op het terrein van de centrale en tevens de grootste emissiebron.
De schoorsteen is 75 meter hoog en heeft een inwendige diameter van 600
cm.
Het onafhankelijk bepalen van het debiet van deze schoorsteen is een
moeilijke, zo niet onmogelijke zaak, de meetlans van de apparatuur van
onafhankelijke onderzoeksbureaus is maximaal slechts 2 meter lang, dit is te
weinig voor betrouwbare debietmetingen aan een schoorsteen van deze omvang. Men
is dus aangewezen op aanlevering van het debiet door het bedrijf zelf hetwelk
ook meteen het cruciale zwakke punt is bij z.g. “onafhankelijke” metingen.
In het MER (bijlage 1) wordt
officieel als rookgasdebiet 1
miljoen 296 duizend m3/uur vermeld. Men zou mogen verwachten dat bij
berekeningen dit debiet zou worden aangehouden. In werkelijkheid is dit niet het
geval maar wordt het debiet eenvoudigweg hoger of lager gesteld afhankelijk van
de uitkomsten die men wenst. Oordeel zelf:
De “Tauw”metingen.
Aan de schoorsteen van de afgassenketel (AGK) zijn in opdracht van
Demkolec (thans Nuon Power Buggenum) door het onafhankelijke en geaccrediteerde
bedrijf Tauw uit Deventer tijdens het meevergassen van geringe hoeveelheden
afval emissiemetingen uitgevoerd. Deze metingen waren bedoeld om vast te stellen
dat tijdens het meevergassen van verschillende soorten afval de wettelijke
emissienormen niet overschreden zouden gaan worden. De metingen zijn door
Provincie Limburg opgelegd bij haar toestemming voor het doen van proeven
met het meevergassen van vier soorten afval. Alle meetresultaten zijn
gepubliceerd op de website van Nuon Power (www.nuonpower.com).
Simpel gezegd komt de methode van meten er op neer dat met een meetlans
een kleine hoeveelheid rookgas uit de reusachtige schoorsteen wordt afgetapt die
vervolgens door analyseapparatuur wordt gevoerd waarin bepaald wordt hoe hoog de
concentratie van een bepaalde stof, b.v. SO2 (zwavelzuur), in het
rookgas is.
Door de gevonden concentratie te extrapoleren naar het aantal m3
rookgas die per uur de schoorsteen verlaat en het aantal bedrijfsuren per jaar
wordt dan de jaarvracht van de SO2 vastgesteld.
Derhalve “hoe lager het aantal m3 rookgas i
jaarvrachtcijfer uitvalt en hoe gunstiger he s die per uur de schoorsteen
verlaat hoe lager het t bedrijf onder de wettelijke normen blijft”.
Een groot deel van de rapporten van Tauw wordt ingenomen door alle
voorbehoud welke zij bij haar meetresultaten maakt. In elk rapport wordt door
Tauw ook gerapporteerd dat het
cruciale gegeven over het aantal m3 rookgas die per uur de
schoorsteen verlaat en waarmee zij haar berekeningen en conclusies maakt niet
door haar zelf is gemeten doch dat dit door haar opdrachtgever, het bedrijf, is
aangeleverd met daarbij de uitdrukkelijke opmerking van het bedrijf dat het een
representatieve bedrijfssituatie betreft (bijlage 2 en 3).
Bij de vijf metingen op verschillende tijdstippen is door het bedrijf in
twee gevallen aangegeven dat het rookgasdebiet 1 miljoen m3/uur is,
in één geval 1,1 miljoen
m3/uur en in twee gevallen 990.000 m3/uur. Gemiddeld
dus 1 miljoen m3/uur.
Bij een inwendige schoorsteendiameter van 600 cm
(doorsnede 28,26 m2) is de afgassnelheid 9,83 m/sec.
Het GGD-gezondheidsrisico onderzoek .
Wij vergelijken de gegevens van Tauw nu eens met het
GGD-gezondheidsrisico onderzoek naar
de gevolgen en te verwachten gevolgen van de giftige stoffen die door de
Willem Alexandercentrale over de omtrek wordt verspreid.
De gegevens die ten grondslag liggen aan dit “onafhankelijke”
onderzoek zijn haar door haar opdrachtgever, de provincie verstrekt.
De provincie beschikt over een door TNO speciaal daarvoor ontwikkeld
computerprogramma ‘pluim-plus 3.1’ om verspreidingsberekeningen te maken,
berekeningen om vast te stellen wat op een bepaalde plaats ten opzichte van de
schoorsteen, op leefniveau nog in de lucht zit van de stoffen die de schoorsteen
verlaten.
Dit programma doet haar berekeningen aan de hand van een aantal
ingevoerde gegevens. Naast gegevens over temperatuur, wind, terreingesteldheid,
plaats en hoogte van de schoorsteen enz. enz. zijn gegevens betreffende de
te onderzoeken giftige stof zoals de concentratie waarin deze voorkomt in
de afgassen als deze de schoorsteen verlaten en de snelheid van deze afgassen
van cruciaal belang. (immers, hoe lager de concentratie bij het verlaten van de
schoorsteen is, hoe minder aangetroffen zal worden op leefniveau en hoe groter
de afgassnelheid uit de schoorsteen is, hoe hoger de pluim zal stijgen en er dus
ook grotere verwaaiing en verspreiding zal plaatsvinden, dus ook weer minder op
leefniveau).
Om het computerprogramma te doen vaststellen hoe hoog de concentratie is
van de giftige stof in de afgassen als deze de schoorsteen verlaten moet de
vergunde jaarvracht in kg per seconde worden ingevoerd en het debiet van de
afgassen. In tegenstelling met de ‘Tauw’ metingen waar een laag debiet
gunstig voor het bedrijf is, is hier een hoog debiet gunstig voor het bedrijf.
Immers de concentratie wordt vastgesteld door de computer door de jaarvracht te
delen door het debiet. Hoe groter het debiet, hoe lager de concentratie bij de
uitlaat van de schoorsteen en hoe lager daardoor de concentratie op een bepaalde
afstand en op leefniveau.
In de door ons onderzochte situatie voor SO2 is de vergunde
jaarvracht 63.000 kg. Deze is
gedeeld door het aantal bedrijfsseconden per jaar (8424 uur x 3600).
De uitkomst daarvan (0,00207778 kg/s) is ingevoerd in het Pluim-plus
programma (bijlage 4 regel 40).
Op regel 39 van deze bijlage is te zien welk debiet in het programma is
ingevoerd, t.w. 565,488 m3 /sec ofwel per uur : 2.035.757 m3 /uur.
Omgerekend naar de schoorsteendoorsnede is hierbij de afgassnelheid 20 m/
sec. (bijlage 4 regel 44)
Recapitulerend:
Bij de Tauw-metingen is in representatieve omstandigheden een debiet
aangenomen van 1 miljoen m3/uur en een afgassnelheid van 9,83
m/sec. Voor het ‘onafhankelijke’ GGD-onderzoek voert de provincie voor deze
zelfde schoorsteen en dezelfde ‘representatieve’ omstandigheden een debiet
in van 2 miljoen 35 duizend m3/uur en een afgassnelheid van 20 m/sec.
Dit is zeer ruim tweemaal zoveel als dat van Tauw. Ofwel tussen deze
twee ‘onafhankelijke’ meetsessies zit een verschil in rookgassendebiet van
8.718.840.000 m3/jaar.
Acht miljard, zeven honderd en achttien miljoen achthonderd en veertig
duizend kubieke meters rookgasdebiet verschil tussen Tauw en de GGD.
Daarbij is het debiet bij de Tauw metingen aanmerkelijk lager dan wat in
het MER staat, bij het GGD rapport is het aanmerkelijk hoger, dus in beide
gevallen is de uitkomst ten gunste van het gewenste resultaat.
De opdracht voor het GGD-onderzoek
is van 15 oktober 2003, (bijlage 5)
en op 11 november 2003, 19 werkdagen later kon de “goed nieuws, niks
aan de hand” boodschap van het rapport al in de vergunning ( bijlage 6)
verwerkt worden want de “voorlopige cijfers” wezen dit goede nieuws al uit.
Er is ook een deel van dit GGD-onderzoek wat niet afhankelijk is van de
input door de provincie, dat is tot stand gekomen en gebaseerd op
cijfermateriaal afkomstig van beschikbare RGI-cijfers (Regionale Gezondheids
Informatie). Daaruit blijkt dat in de onderzochte woonkernen Buggenum en Haelen
in de periode 1990-1999 een oversterfte bij vrouwen was (ten opzichte van de
rest van Nederland) van 28 %. Door het geringe en onvolledige cijfermateriaal in
dit, in zo’n korte tijd, geproduceerde werkstuk is een duidelijke oorzaak voor
deze oversterfte door niemand aan te geven. Over sterfte door ziekten van
ademhalingswegen, belangrijk bij o.a. fijnstof en verkeersproblematiek, waren
b.v. geen cijfers beschikbaar. Ziekenhuisopnames in 1999 in verband met
nieuwvormingen (kanker) blijken in deze woonkernen bij mannen 43% en bij vrouwen
44% hoger te zijn dan het landelijk gemiddelde (bijlage 7). Waarom in het
rapport daarvoor alleen en precies het jaar 1999 genomen is wordt niet verklaard.
Zonder nader onderzoek worden deze toch wel alarmerende cijfers afgedaan als een
mogelijk statistische fluctuatie. Dit kan zo zijn, de stichting echter noemt een
gemiddelde over 10 jaar toch redelijk consistent.
De bewoners in deze woonkernen leven al meer dan een halve eeuw
“onder de rook” van een der drukste wegen van Nederland, de
Napoleonsweg, een verouderde steenfabriek die wegens overgangsregelingen niet
aan de modernste eisen behoeft te voldoen en de oude Maascentrale, die vele
jaren heeft doorgedraaid terwijl de techniek allang niet meer aan de eisen
voldeed en gelukkig ondertussen gesloten is.
Het vermoeden bestaat dat het totaal aan opslag in het lichaam (bioaccumulatie)
van gezondheidsschadelijke stoffen uit de eerder genoemde en andere, c.q.
vroegere bronnen, bij de inwoners kennelijk de veilige grens reeds gepasseerd
heeft en dat hier sprake is van een trendmatige oversterfte. Of hier werkelijk
sprake is van statistische fluctuatie of een trend kan alleen verder onderzoek
uitwijzen.
Na de presentatie van het rapport op 25 november 2003 is schijnbaar
niemand meer in verder onderzoek geïnteresseerd, het doel is blijkbaar bereikt:
in de vergunning staat dat dit onderzoek door een onafhankelijke GGD uitgewezen
heeft dat er niets aan de hand is. Dit argument is ondertussen ook reeds bij de
Raad van State gebruikt. In de vergunning zijn echter de verontrustende, en om
nader onderzoek schreeuwende gegevens over de oversterfte en de hoge mate van
ziekenhuisbezoek wegens kanker e.a. weggelaten. Een zorgzame en
verantwoordelijke overheid kijkt niet alleen of een bedrijf met de door haar
gewenste verhoging van gezondheidsschadelijke emissies binnen de kaders van de
wet blijft. Zij beziet ook of de in
geding zijnde toename aan emissies überhaupt geaccepteerd kan worden in
specifiek deze, reeds zo belaste woonomgeving. Stellen dat de verontrustende cijfers binnen de statistisch
te verwachten fluctuatie ligt en het vervolgens daarbij laten,
is op zijn zachtst gezegd, zeer onverantwoordelijk. Hiermee en met
creatief en selectief boekhouden neemt men de ongerustheid bij de bewoners echt
niet weg. Zolang hierover geen absolute zekerheid is, dient in deze woonomgeving
uitbreiding van emissies door welk bedrijf dan ook, dus ook door
overheidsbedrijf Nuon Power Buggenum, volstrekt uit den boze te zijn.
Hoogachtend,
Stichting tot behoud leefmilieu Buggenum, Haelen, Horn, Nunhem en naaste
omgeving
|