STICHTING TOT BEHOUD LEEFMILIEU

BUGGENUM      HAELEN      HORN      NUNHEM

EN NAASTE OMGEVING

NUON POWER BUGGENUM

Betreft zienswijzen ten aanzien van de vergunningaanvraag






Aantekenen.

Gedeputeerde Staten van Limburg
t.a.v. de afdeling Vergunningen
Postbus 5700
6202 MA Maastricht

Buggenum : 17 juni 2002
Betreft : 02/ 13207 Vergunningaanvraag en MER van Nuon Power Buggenum
Ons kenmerk : NU-123762/1233.1

STELLING 1.

Het stellen van normen, gebaseerd op ontoereikend onderzoek en informatie is een vorm van "gedogen".

STELLING 2.

"Handhaven" is onmogelijk als gestelde normen onvoldoende controleerbaar zijn.

Geacht college,

Mede aan de hand van bovenstaande stellingen heeft de Stichting tot behoud leefmilieu Buggenum, Haelen, Horn, Nunhem en naaste omgeving, (hierna "De Stichting") bovengenoemde Milieu EffectRapportage gewogen.
Bovendien worden in dit schrijven een aantal zienswijzen ten aanzien van de vergunningaanvraag gegeven.

Inleiding:

Het woongebied rondom het complex van Nuon Power Buggenum staat qua leefklimaat zeer ongunstig te boek. Recent uitgevoerd onderzoek door de GGD Midden Limburg toont aan dat de luchtkwaliteit slecht is. (bijlage 1) Vooral de hoeveelheid fijn stof, o.a. oorzaak van astma-achtige aandoeningen, zo niet erger, scoort hoog. Ook de thans reeds aanwezig zijnde geluidsbelasting is aanleiding tot een voortdurende stroom van procedures tot aan de Raad van State toe. Voldoende reden derhalve om elke ontwikkeling in dit gebied die iets toevoegt aan de reuk-, geluid-, stof- en gif-emissies, met uiterste zorgvuldigheid te bekijken. Daarbij is niet alleen van belang de regels en normen van een enkele industrie zoals thans aan de orde, doch ook de optelsom van alle ontwikkelingen in dit kleine gebied, met elk hun eigen tolheffing bij de bevolking. Elke industrie roept "het valt wel mee bij mij, ik zit onder de normen". Het eigenbelang viert daarbij hoogtij, kostbare onderzoeken worden uitgevoerd, juristen ingehuurd, om aan te tonen dat de normen als maar hoger gesteld dienen te worden. De optelsom van al die activiteiten ligt echter, zowel letterlijk als figuurlijk, op het bord van de bewoners. In de vorm van een als maar slechter wordend leefklimaat.

Opmerkingen over het niet voldoen van het Mer aan de gestelde richtlijnen d.d. 16 januari 2001

Leemten in kennis en evaluatieprogramma.

In hoofdstuk 7 wordt op geen enkele wijze ingegaan op het ontbreken van kennis over de gevolgen van het meevergassen van grote hoeveelheden secundaire brandstoffen. Er zijn slechts enkele, zeer kortstondige proeven met zeer kleine percentages aan secundaire brandstoffen (tot maximaal 6%) uitgevoerd. Bovendien was de diversiteit aan secundaire stoffen zeer beperkt. De daarbij uitgevoerde, elders in dit schrijven bekritiseerde, metingen geven zeer onvoldoende inzicht in de te verwachten gevolgen. Bovendien worden voor de tabellen in deze Mer rekenmodellen toegepast welke gebaseerd zijn op metingen zonder bijstook van secundaire stoffen, terwijl er bovendien voor deze rekenmodellen geen enkele referentie met gelijksoortige installaties van deze omvang is.

De opstart van de verbranding van secundaire brandstoffen naar een niveau van 30- tot 50% van de totale brandstoftoevoer dient dan ook gezien te worden als een voortzetting van proefnemingen.

Dit impliceert dat niet kan worden volstaan met het vooraf verstrekken van een ruime emissievergunning en dan maar afwachten hoe e.e.a. zich ontwikkelt. De vergroting van het aandeel afval in de brandstoffen dient onder voortdurend toezicht van de overheid en begeleid door nauwkeurig vastgestelde en onafhankelijk uitgevoerde meetcampagnes te leiden tot meer kennis omtrent de werkelijke gevolgen.
Gerealiseerd dient te worden dat tegenover de commerciële wens van Nuon om grote vergunningruimte, teneinde "slagvaardig te kunnen opereren" lijnrecht de wens van de samenleving staat om bescherming tegen de uitwassen van dergelijke "slagvaardigheid".

De te verlenen vergunning dient door middel van een stappenplan greep te kunnen houden op de ontwikkelingen in het proefstadium van het vergassen van grote hoeveelheden afvalstoffen.

De werkelijke gevolgen voor de luchtkwaliteit in de omgeving dient gedurende de gehele vergunningsperiode vastgesteld te worden d.m.v. vier meetcampagnes per jaar (in elk seizoen) en telkens gedurende een maand en wel van ter zake doende meetpunten zoals bij de bebouwing van Buggenum, het astmacentrum Hornerheide, de gemeente Swalmen etc.

Hetzelfde is van toepassing op de toename van o.a. geluid, fijn stof, verzuring, reuk en micro organismen. Er zitten zoals gezegd nog vele ontwikkelingen binnen de directe omgeving van Nuon Power Buggenum in de uitvoerings- c.q. planningsfase, zoals "Omleiding Napoleonsbaan", "uitbreiding industrieterrein Windmolenbos", "realisering IJzeren Rijn", de ontwikkelingen in het kader van de Zandmaas en niet te vergeten de enorme plannen van Essent op het direct naast Nuon Power Buggenum gelegen oude Maascentrale terrein als onderdeel van de realisatie van het Bestemmingsplan Omleiding-Maascentrale.
Het Provinciaal Bestuur van Limburg is de "dirigent" voor al deze industrieën voor wat betreft de verdeling van de geluidsruimte etc.
Bij verlening van de voorliggende, door Nuon gewenste vergunning, is de beschikbare "ruimte" voor genoemd geluid stof etc. voor de meeste elementen reeds compleet opgesoupeerd.
De genoemde, overige industriële activiteiten kunnen volgens deze normen dan ook in het geheel niet plaatsvinden. Doch de voorbereidingen gaan gewoon door. Het is thans al te voorzien dat deze nakomende industriële activiteiten vergund zullen gaan worden volgens het ALARA principe. (As Low As Reasonable Achievable): "zo laag als redelijkerwijs haalbaar is", met alle nare gevolgen op het bord van de omwoners.
Het mag niet zo zijn dat elke industrie naar zijn vergunning wijst en zegt "je moet bij mijn buurman zijn". Een inventarisatie en plan van verdeling van deze geplande verdere geluids- en milieubelastingen, alsmede openbaarmaking hiervan, dient onderdeel uit te maken van de provinciale besluitvorming t.a.v. de voorliggende vergunningaanvraag.

WVO- vergunning

Tekst uit Hoofdstuk 1.2 De voorgenomen activiteit , te weten het meevergassen van secundaire brandstoffen , noopt op basis van de gegevens in dit MER niet tot een Wvo-veranderingsvergunning omdat de lozingen door het meevergassen niet worden beïnvloed.

Deze conclusie wordt op geen enkele controleerbare wijze gestaafd. Alleen al de directe nabijheid van de rivier De Maas vraagt om de grootste zorgvuldigheid bij de besluitvorming hieromtrent. In de Maas liggen de concentraties van koper en zink ver boven het maximaal toelaatbare risiconiveau. (staatscourant 11 juni 2002 Commissie integraal Waterbeheer). (bijlage 2) Daarmee wordt hier niet gesteld dat de oorzaak daarvan bij Nuon ligt, doch in deze zorgelijke situatie van het oppervlaktewater is het lichtzinnig te noemen als zonder deugdelijke onderbouwing een dergelijke vergunning onnodig wordt geacht voor een bedrijf welke vergunning vraagt voor emissie van o.a. 381,5 kg koper en 656,2 kg zink per jaar in de onmiddelijke nabijheid van deze rivier.
De huidige toestand van De Maas is een schoolvoorbeeld van cumulatie van het effect van vele "binnen de normen blijvende" industriën.

Vergassing en verbranding

Het MER voldoet niet of onvoldoende aan de te beschrijven elementen zoals in de richtlijn is gesteld onder punt 4.2.3. Vooral het ontbreken van inzicht in de samenstelling van het syngas op belangrijke punten in het proces is onbegrijpelijk. Het zou het inzicht kunnen verbeteren omtrent de wijze waarop de input aan gevaarlijke elementen het bedrijf weer verlaat. Via as en slakken of de lucht.

Emissies

Tekst uit de richtlijnen voor de MER d.d. 16 januari 2001, hoofdstuk 4.2.6:
Voor alle in het MER opgenomen alternatieven dienen de volgende aspecten worden te worden beschreven zowel onder normale omstandigheden als bij storingen (affakkeling) of calamiteiten: · Luchtverontreiniging: Het MER dient aan te geven hoe bij de verbranding van het syngas aan de eisen van het BLA kan worden voldaan…………….

De via de afgassenketel in de atmosfeer gebrachte zware metalen en andere gevaarlijke stoffen zijn afkomstig uit het syngas. Dit gas ondergaat na verbranding te samen met zuurstof in de gasturbine een enorme expansie.
Het meten van de verhoudingsgewijze kleine hoeveelheden gevaarlijke stoffen in de syngasstroom die vanaf de vergasser op weg is naar de turbine, is een moeilijke zaak. Doch van het meten hiervan in de turbulente geëxpandeerde gasstroom in de afgassenketel met een volume van meer dan 1 miljoen kubieke meter per uur, is te stellen dat dit feitelijk geen bruikbare informatie oplevert die voor normstelling en handhaving bruikbaar is.
De te meten stoffen zijn niet alleen op enorme wijze verdund, en geven daardoor zeer ruime meetafwijkingen doch ook is niet bekend over hoeveel kubieke meters afgas het verdeeld is.
De totaalvracht per jaar aan gevaarlijke stoffen die in de atmosfeer komt is derhalve niet voldoende nauwkeurig vast te stellen.
Het maakt een groot verschil of een jaarvracht vastgesteld wordt a.d.h.v. een debiet van 1.000.000 m3/uur of 1.300.000 m3 /uur.
In het MER worden tabellen met jaarvrachten genoemd, doch er is nergens een onderbouwing van het gepresenteerde cijfermateriaal te vinden.
Dit terwijl er wel gerefereerd wordt aan de uitgevoerde proeven.
Tijdens deze proeven zijn emissiemetingen verricht door Tauw B.V.
De metingen zijn niet verricht in de syngasstroom doch in de "verdunde toestand" zoals bovenomschreven.
Van elke meetsessie is door Tauw een emissieonderzoekrapport opgesteld. Om volstrekt onbegrijpelijke redenen is van al deze rapporten geen enkel exemplaar in het MER opgenomen.
Bestudering van deze rapporten brengt echter opmerkelijke feiten omtrent de betrouwbaarheid en nauwkeurigheid van de metingen aan het licht. Als voorbeeld de tekst uit een der rapporten van Tauw BV: (bijlage 3)

(begin citaat)
Emissieonderzoek afgassenketel (STEG) vergassingsinstallatie.
Meevergasproeven RWZI-slib
Projectnummer: 3890228
Datum: 25 april 2001.

Hoofdstuk 4 Uitvoering

Algemeen
Ten aanzien van de meetlocatie zijn hiernavolgend een aantal opmerkingen opgenomen.

Ten aanzien van de uitgevoerde debiet-, PCDD/F-, stof- en stofgebonden metingen dient het volgende te worden opgemerkt. Gezien de dimensionering van het meetvlak (11,7 x18,3 m)en de aanwezigheid van inwendige pijpenbundels is ten aanzien van de volgende aspecten afgeweken van de van toepassing zijnde meetnormen: - het is niet mogelijk geweest de rookgassnelheid over het gehele meetvlak te bepalen (pitotbuislengte is 2 meter). Derhalve is er geen (voor het gehele kanaal) representatief debiet gemeten en is het gerapporteerde debiet aangeleverd door Demkolec. Op de bemonsterde insteekdiepte van het kanaal heeft wel een (voor dat deel van het kanaal) vaststelling van de gassnelheid kunnen plaatsvinden; - ten aanzien van de stof- en stofgebonden metingen is het niet mogelijk geweest alle traverses conform NEN-ISO 9096 uit te voeren (lanslengte 2 m). Derhalve dient rekening gehouden te worden met een mogelijk grotere meetonnauwkeurigheid; - meetvlakbeoordeling ten aanzien van het gehele meetvlak conform NEN-ISO 9096 heeft niet kunnen plaatsvinden gezien de afmetingen van het meetvlak.Ten aanzien van het bemeten deel van het meetvlak kan het volgende worden opgemerkt. Gezien het feit dat het meetpunt zich bevindt vlak boven de pijpenbundels is sprake van een turbulente gasstroom. Het meetpunt wordt derhalve conform de in de NEN-ISO 9096 gegeven eisen gesteld aan een meetvlak niet geschikt geacht. Een alternatief meetvlak is echter niet beschikbaar.
(einde citaat)

Door niets wordt onderbouwd hoe Nuon Power Buggenum kan beschikken over de informatie omtrent het debiet dat een gerenommeerd meetinstituut als Tauw niet kan meten. Het is echter belangrijke informatie die in het Mer niet mag ontbreken daar het inzicht geeft over de betrouwbaarheid van het vermelde cijfermateriaal. Het Ner en de Europese regelgeving stellen duidelijke eisen aan de metingen.


In bovengenoemde meetrapporten wordt bovendien een duidelijk inzicht gegeven met welke zeer grote meetonnauwkeurigheden rekening gehouden dient te worden. Ook deze informatie had veel specifieker en nadrukkelijker onderdeel dienen te zijn van het MER. Als het op deze wijze verkregen cijfermateriaal vervolgens gaat dienen als input om een en ander te extrapoleren van het 4% bijstoken tijdens de proeven naar 30% en meer zoals de bedoeling wordt, dan staat vast dat de toegepaste methodiek ook onvoldoende is als toetsing aan het BLA.

Zoals op blz. 5.9 wordt aangegeven zijn alle verwachte emissies berekend a.d.h.v. metingen in de syngasstroom in 1996 en 1997, dus zonder bijstook van secundaire brandstoffen en zijn deze metingen gebruikt voor "het rekenmodel". Op geen enkele wijze wordt in het Mer inhoudelijke informatie verstrekt over de omvang, uitvoering en bovenal de autoriteit van genoemde metingen. Dit is eveneens het geval met het "rekenmodel". Welk rekenmodel en met welke referenties en autoriteit? Hier is toch sprake van een nieuwe experimentele fabriek zonder referenties naar gelijksoortige installaties.

Het is duidelijk dat al het in het MER verstrekte cijfermateriaal niet geschikt en derhalve onvoldoende is om normen te stellen c.q. te handhaven.


Het Milieuvoordeel.

Op blz. S.17 van het MER wordt de volgende conclusie getrokken:

Het belangrijkste milieuvoordeel van het initiatief is dat een emissie van 383 kton CO2 van fossiele oorsprong wordt vermeden. Dit is 6,4 % van de doelstelling van 6 Mton uit het kolenconvenant dat de minister van VROM met de eigenaren van de kolencentrales heeft afgesloten.

Nuon is geen deelgenoot in dit convenant.
Bij wetenschappers en overheden neemt in snel tempo het inzicht toe dat in een dichtbevolkt gebied de ruil van enige procenten minder fossiele CO 2 met een belangrijke toename aan uitstoot van kwik en andere schadelijke stoffen en fijn stof, de volksgezondheid weinig goed doet en een slechte ruil blijkt te zijn. Het convenant tussen rijksoverheid en stroomproducenten staat ondertussen onder druk.(bijlage 4)
De stichting heeft op13 juni 2002 onderstaand persbericht over dit onderwerp aan ministeries en pers gezonden:

(Begin persbericht)
Een opmerkelijke stap van een militante leefmilieu-organisatie.

In ruil voor een, relatief gezien, geringe fossiele CO2-winst (± 5% van het landelijk streven) waarvan het ogenschijnlijk voordeel gedeeld wordt met de 16 miljoen inwoners van Nederland, worden binnenkort enkele duizenden bewoners rondom de Nuon Power Buggenumcentrale te Buggenum belast met een zeer forse toename aan gevaarlijke emissies.
Dit als gevolg van de plannen om secundaire brandstoffen zoals slib uit zuiveringsinstallaties, sloophout, etc. te gaan meevergassen bij de thans gebruikelijke kolen. Voor deze bewoners voorwaar een slechte ruil.
Het is genoemde bewoners vooral in het verkeerde keelgat geschoten dat deze centrale voor haar plannen niet slechts een vergunning vraagt welke voldoende is ter realisering van haar plannen, doch dat deze alvast toestemming vraagt voor het uitstoten van het maximum aan emissievrachten welke de huidige wetgeving toestaat.
Dit belooft weinig goeds voor de toekomst.
De vergunningaanvraag en bijbehorend milieueffectrapport (MER) is momenteel ter inspraak gelegd.
Tijdens een hoorzitting op 4 juni j.l. georganiseerd door de Provincie Limburg bleek dat de gehele procedure in feite een reeds gelopen zaak was en Nuon niet bang behoefde te zijn dat haar verzoek om maximum emissievrachten niet gehonoreerd zou worden.
De milieugedeputeerde van de provincie mevr. H. Hofman gaf op vragen omtrent een meer kritische opstelling van de provincie hieromtrent als antwoord dat:

"het milieujaarverslag wordt gebruikt als een toets achteraf van het vergunde en de daadwerkelijke uitstoot. Zou blijken uit het (door Nuon zelf) op te stellen milieujaarverslag, dat de daadwerkelijke uitstoot veel minder is dan de vergunde, dan kan worden besloten om de vergunning aan te passen".

De plaatselijk actief zijnde organisatie "Stichting tot behoud Leefmilieu, Buggenum, Haelen, Horn, Nunhem", trok hieruit de schokkende conclusie dat er omtrent gedogen en het achteraf bijstellen van vergunningen sinds Enschede, Volendam en v.d. Valk, in Limburg nog weinig geleerd is. Zij kwam tot de opmerkelijke stap om zich, om deze reden, per open brief rechtstreeks tot de directie, de ondernemingsraad en het personeel van Nuon te wenden met het verzoek om vrijwillig hun verzoek tot hoge emissievrachten terug te brengen tot maatschappelijk verantwoorde proporties. Bijgaand gelieve u deze open brief (bijlage 5) aan te treffen. Hoogachtend,

Stichting tot behoud Leefmilieu,
Buggenum, Haelen, Horn, Nunhem
en omgeving.
(einde persbericht)

Uit bovenstaand persbericht, moge duidelijk worden waarom omwonenden weinig verbaasd zijn over het feit dat de provincie Limburg zo'n slecht onderbouwde MER als het onderhavige, toch voorziet van een aanvaardbaarheidsverklaring.

CONCLUSIE:
Het gepresenteerd MER voldoet op geen enkele wijze aan de voorwaarden zoals gesteld in Artikel 7.10,onder d en e van de Wet milieubeheer en zoals nader gespecificeerd onder hoofdstuk 5 van het "Advies voor richtlijnen voor het milieueffectrapport d.d. 14 decenber 2000" welke onderdeel uitmaakt van het Besluit van Gedeputeerde Staten van Limburg d.d. 16 januari 2001 "Vaststellen richtlijnen MER Demkolec BV". De Stichting tot behoud leefmilieu Buggenum, Haelen, Horn, Nunhem en naaste omgeving wijst in dat verband nog speciaal, doch niet uitsluitend, naar de richtlijnen zoals omschreven in het advies op pagina 9, laatste alinia en verder, beginnende met: "Bij de beschrijving van de milieugevolgen dienen de volgende richtlijnen in acht te worden genomen: "

De Stichting tot behoud leefmilieu Buggenum, Haelen, Horn, Nunhem en naaste omgeving is van oordeel dat het voorliggende MER niet ontvankelijk dient te worden verklaard.

Een Mer is bedoeld om inzicht te geven in de milieutechnische gevolgen van voorgenomen activiteiten. Dit betekent niet automatisch dat de resultaten van een Mer hoeven leiden tot een vergunningsaanvraag in het kader van de Wet Milieubeheer. Ook in onderhavig geval wordt in het Mer een zodanige verslechtering van het milieu voorspeld dat de aanvraag voor een vergunning in het kader van de Wet Milieubeheer zoals deze als bijlage bij de Mer is gevoegd niet ontvankelijk moet worden verklaard, maw de Mer toont afdoende aan dat de Willem-Alexander Centrale toekomstig moet blijven worden gebruikt waarvoor die bedoeld is: Het opwekken van electriciteit door middel van kolenvergassing.


De ernst van de situatie wenst de stichting nog te benadrukken met bijgesloten rapport van TNO d.d. 30 mei 2002, referentie 2002MA/323/33609/mrk omtrent het aspect luchtkwaliteit.
(bijlage 6)


Bij dit schrijven zijn gevoegd de zienswijzen omtrent de MER en de vergunningaanvraag door Stichting Milieufederatie Limburg, Stichting Studiegroep Leudal e.o. en de gemeente Roermond. Deze zienswijzen worden door de Stichting tot behoud leefmilieu, Buggenum, Haelen, Horn, Nunhem, volledig onderschreven. U dient deze teksten als ingepast en als onlosmakelijk deel van dit schrijven te beschouwen.



Buggenum, 17 juni 2002

Stichting tot behoud leefmilieu Buggenum, Haelen, Horn, Nunhem en naaste omgeving

E.A.J. Derkx - Passage
Voorzitter
i/o P.P.M. van Daal, penningmeester
J.H.C. Swart
Secretaris


De Stichting tot behoud leefmilieu Buggenum, Haelen, Horn, Nunhem en naaste omgeving heeft tot doel het bevorderen, beschermen en waar mogelijk instandhouden van het milieu in Buggenum, Haelen, Horn, Nunhem en naaste omgeving, en voorts al hetgeen met een en ander rechtstreeks of zijdelings verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn, alles in de ruimste zin des woords.
Een belangrijk actiepunt van de stichting is een juiste voorlichting van het publiek inzake groene energie, duurzame energie en het gebruik van biomassa als brandstof in electriciteitscentrales; het onjuist en suggestief gebruiken van genoemde termen leidt tot verkeerde keuzes door milieubewuste consumenten en spekt de kas van de electriciteitsbedrijven ten koste van de Nederlandse belastingbetaler.






terug naar "index artikelen Nuon Power"
terug naar "wat is nieuw op deze site"